Home | Contact | Mijn account | RSS | English

... meer over kringlopen in land- en tuinbouw

Historie
Tot ongeveer 1940 waren er veel landbouwbedrijven met maar enkele koeien en wat akkerbouw. De koeien stonden vaak bij de mensen in huis. Het voer bestond in de winter uit hooi (gedroogd gras dat zodanig is volgroeid dat de bloeiwijze erin zit) en enkelvoudige producten, zoals bieten, tarwe en/of afval van groenten zoals bladeren van rode bieten enz. De mest werd met stro vermengd en in de buitenlucht gecomposteerd. Deze mest was zeer vruchtbaar. Dit komt omdat dit soort mest een hoge koolstof/stikstof- (C/N) verhouding heeft van ongeveer 12.
Het bodemleven heeft een hoge C/N-verhouding nodig aangezien deze de energie voor het functioneren levert. Wormen brengen de C/N-verhouding terug naar 5. Het verschil levert dus de energie voor het bodemleven, en met behulp van deze energie worden de organische stofopbouw en andere omzettingen gerealiseerd waardoor mineralen voor de plant beschikbaar komen. Ook houden de wormen de grond luchtig, zodat overtollig water goed opgevangen en goed afgevoerd kan worden.
Er is een symbiose tussen planten en het bodemleven, waarbij de plant energie in de vorm van suikers levert en het bodemleven mineralen voor de plant beschikbaar maakt. Al met al is het een zeer complex ecosysteem, wat ook uitermate kwetsbaar is.
De mest die tot ongeveer 1940 werd geproduceerd voedde het bodemleven en het bodemleven voedde de planten en de planten voedden de dieren en de mens. Aldus een perfect werkend bodem-plant-dier (mens) systeem.

Kunstmest
Vanaf 1960 nam het gebruik van kunstmest een grote vlucht door de geweldige stimulering vanuit de overheid en universiteiten, om een zo hoog mogelijke opbrengst per hectare te realiseren. De gevolgen van het kunstmestgebruik zijn dat landbouwgronden worden uitgeput door de eenzijdige bemesting met alleen stikstof, fosfor en kalium. Door het gebruik van slechts drie voedingsstoffen nemen andere mineralen in de voeding af en verzwakken de planten op de akkers, waardoor deze gevoeliger worden voor ziekten en plagen. Daarnaast is de NPK-mest zuur, waardoor de pH-balans (zuur/base balans) van de grond uit evenwicht wordt gebracht. Zure grond doodt in de grond aanwezige micro-organismen. Het is de taak van deze beestjes om de mineralen in de aarde zodanig om te zetten dat de planten ze kunnen opnemen. Zonder deze micro-organismen blijven mineralen opgesloten en zijn ze onbruikbaar voor de plant. Door het gebruik van kunstmest is ook de hoeveelheid eiwit in planten veranderd, waardoor de C/N-verhouding in de mest is gaan dalen met als gevolg een vermindering van het bodemleven.

Veranderde huisvesting en voeding van de dieren
Doordat de landbouwbedrijven steeds groter werden en intensieve arbeid een beperkende factor werd, kwam vanaf 1970 het gebruik van de ligboxenstallen in zwang. In plaats van de vaste mest die in de buitenlucht met veel stro werd gecomposteerd met een aparte opslag voor urine, werden de vaste mest en de urine in vervolg samen opgevangen in kelders onder de vloer waarop de dieren verbleven. Ook werd het gras voor de koeien steeds eerder gemaaid omdat de voedingswaarde van dat jonge eiwitrijke gras hoger ligt en de melkkoeien daar meer melk van geven. De hoeveelheid stro die werd gebruikt nam sterk af en werd soms vervangen door zaagsel.
Al deze veranderingen hadden tot gevolg dat C/N-verhouding in de mest sterk afnam. Veel mest kwam niet verder dan een C/N-verhouding van 6–7. Een ander gevolg was dat zich in deze mest, die van samenstelling was veranderd en in de kelders weinig zonlicht en zuurstof kreeg, veel anaërobe bacteriën gingen ontwikkelen. Daardoor ontstonden weer veel schadelijke gassen, waaronder ammoniak, blauwzuurgas (cyanide), methaan, lachgas en zwavelwaterstof. Een aantal van deze gassen zorgen voor milieuproblemen.

Emissiearme aanwending
Vanaf het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw richtte de overheid de aandacht vooral op de schadelijke werking van het gas ammoniak. Vanaf 1993 is daarom de wet “Besluit gebruik meststoffen” van kracht. De mest moet voortaan emissiearm worden aangewend, hetgeen inhoudt dat de mest in strookjes van maximaal 2,5 cm breed om de 15 cm tussen het gras of in de bodem moet worden gebracht. Hierbij gaat het echter op 3 punten mis.
- Te hoge concentratie mest
De concentratie van de mest die emissiearm wordt aangewend is vijfmaal hoger dan bij gewoon bovengronds aanwenden. Hierdoor kunnen de mineralen (inclusief ammonium) zich niet snel binden aan het klei-humus-complex.
- Zuurstofarme grond
Een tweede fout is dat er nooit rekening is gehouden met andere schadelijke gassen en wat deze bij emissiearme aanwending met het bodemleven doen. Bij gewoon bovengronds uitrijden wordt met name blauwzuurgas direct door zuurstof in de lucht onschadelijk gemaakt. Bij emissiearm uitrijden blijft blauwzuurgas echter in de mest zitten en zal dus onschadelijk worden gemaakt door de zuurstof die zich in de bodem bevindt. Het is zeer aannemelijk dat het hele ecosysteem ontregeld raakt. In Duitsland is ervoor gekozen om de bodem te beschermen en is om die reden het direct in de grond brengen van mest verboden.
- Zout
De derde fout die de onderzoekers hebben gemaakt is dat mest (met urine) een zoute oplossing is. Toen de mest nog bovengronds werd uitgereden werd dit bij voorkeur bij regenachtig of vochtig weer gedaan om verbranding van gewassen te voorkomen. Nu wordt de mest onafhankelijk van het weer uitgereden, dus ook bij felle zonneschijn. De geconcentreerde mest is zo zout dat deze eerst door voldoende vocht moet worden verdund voordat het bodemleven –dat het heeft overleefd– het kan gebruiken. De kans op vervluchtiging of uitspoeling neemt hierdoor toe.

Het natuurlijk kringloopsysteem
In Nederland zijn enkele honderden boeren die deze problemen onderkennen en er via het natuurlijk kringloopsysteem iets aan proberen te doen. Het natuurlijk kringloopsysteem houdt in dat via minder kunstmest strooien, later maaien en eiwitarmer voeren de C/N-verhouding in de mest weer wordt verhoogd. Sommige boeren voeren bovendien nog extra anorganische koolstof aan de dieren. Hierdoor neemt het bodemleven toe en is uiteindelijk veel minder aanvoer van stikstof (in de vorm van kunstmest en krachtvoer) nodig. Het bodem-plant-dier systeem komt weer in balans. De mest op deze bedrijven bevat een veel hogere C/N-verhouding en bevat ook veel minder schadelijke gassen. Blijkens wetenschappelijk onderzoek door Wageningen Universiteit leidt deze werkwijze niet tot meer ammoniakemissie dan mest van gangbare bedrijven die emissiearm uitrijden. Zelfs in combinatie met bovengrondse toediening leek bij die strategie niet meer ammoniak verloren te gaan dan bij emissiearme toediening van mest zonder voedings- en strooiselmaatregelen”.
Kringlooplandbouw gaat over het optimaliseren van de bodem-plant-dier-mest kringloop. Het is ontstaan midden jaren 90 vanuit zorg over de achteruitgang van de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, door het intensieve gebruik van kunstmest en krachtvoer. De mineralen verdwenen vaak weer door extra ammoniak uitstoot of nitraatuitspoeling in de bodem. Er was geen sprake van een gesloten kringloop. Een grote groep boeren wil het anders doen en niet langer streven naar de maximale producties maar naar de optimale! Zij volgen een “alternatief spoor”. Recentelijk heeft het CLM de potentie van de kringloopaanpak beoordeeld en geconcludeerd dat de aanpak veel oplossingen kan bieden voor boer en milieu. Het rapport is de homepagina te downloaden. Ook heeft emeritus hoogleraar bodemkunde Johan Bouma een zeer goed overzichtsartikel verschenen over dit “alternatieve spoor”: Download hier het gehele artikel.

De mineralenkringloop op een melkveehouderijbedrijf kent vier schakels: het dier, de mest, de bodem en het ruwvoer. Dit zijn schakels die zich allen binnen het bedrijfssysteem afspelen, waarin de boer centraal staat. Daarnaast is er ook sprake van externe input (kunstmest en krachtvoer) en output (melk en vlees). Wordt de bedrijfsvoering vanuit de kringloopgedachte benaderd dan wordt getracht de benutting van de mineralen bij elke schakel zo hoog mogelijk te houden. Hierdoor zijn er minder verliezen en hoeven er ook minder mineralen aan de kringloop toegevoegd te worden uit kunstmest of krachtvoer. Dit is goed voor het milieu en de portemonnee.
De kwaliteit van de drijfmest bepaalt sterk de kwaliteit van het bodemleven, wat weer de kwaliteit bepaalt van het gras, graskwaliteit bepaalt weer de gezondheid van de veestapel. Als de bodemstructuur verbeterd, wordt er meer organische stof opgebouwd, wat zorgt voor een goede voedingsbodem voor het bodemleven. Er zijn verschillende praktische aanpassingen om meer organische stof in de bodem te krijgen, onder andere via:
• verlagen van de stikstofgift uit kunstmest (zo mogelijk tot 0)
• de kunstmest vervangen voor compost
• vervroegen van de eerste drijfmestgift (maart of eerder als het weer het toelaat)
• drijfmest met een C/N van 10 a 11 in kleine hoeveelheden regelmatig breedwerpig uitrijden
• minder eiwitrijk krachtvoer geven
• gebruik maken van structuurrijkere en eiwitarme grassen met 60 gram suiker per kg ds
• het rantsoen structuurrijk gras maaien bij een droge stof opbrengst van (gras in de bloei), maar niet te lang gras omdat ruwe celstof dan de voedingstoffen teveel opsluit
• bij een kuil met een lage OEB, met eiwit van 14 a 15 %, kan het rantsoen een totale OEB negatief zijn, maar let op de energie
• voor hoogwaardige drijfmest is het nodige stro of boxcompost in de boxen te gebruiken
• het rantsoen is de sterkte factor, “er is maar een plaats waar gerijpte drijfmest wordt geproduceerd, dat is in het dier”
• maïs past niet in duurzame kringloop melkveehouderij, omdat maïs geen koeienvoer is, en het bewerken van de grond super slecht is voor het bodemleven
Winkelwagen
0 artikelen | € 0,00
»
Zoeken
»
Mijn account
»
Filter Welkom Vereniging Lidmaatschap Privacyverklaring Wie Wat Waar Agenda en Nieuws Archief 2017 Archief 2016 Archief 2015 Archief 2014 Archief 2013 Archief 2012 Onderwerpen Gezonde bodems Bemesting? Bodemleven Glyfosaat Vitaal water Vitale gewassen, voeding en gezondheid Kringlopen in land-en tuinbouw Boer-Burger en Ecoregio's Dierenwelzijn Nieuwe wetenschap en spiritualiteit Koolstofproblematiek Energievoorziening Biodiversiteit Gentechgewassen HR-gewassen Bt-gewassen Activiteiten Themadagen Eerdere themadagen Workshops en Symposia VoedselAnders-conferentie 2014 Symposium met Cordaid "Welke kennis delen wij?" 28 mei 2013 Lezingen Don Huber oktober 2011 Conferentie Acres USA december 2010 Ledenvergaderingen Nieuwsbulletin Publicaties NVLV Heel de Wereld Levenskracht uit de oceaan Bodemgezondheid QA Jaarboek 2012 Projecten Deelnetwerken Quadrupool Academie Regionaal Landelijk, Thematisch Uitdagingen Sponsoring