Home | Contact | Mijn account | RSS |

17 nov 22 NVLV-themadag 'Hoe het staat met de transitie -> kringlooplandbouw'

Op 17 november 2022 beleefden we een afgeladen themadag op boerderij De Groote Voort in Lunteren, bij bio-boer Jan Dirk van de Voort die in tandem met kruidenkundige Hubert Cremer ook bijdroeg aan de presentaties. Op deze dag hebben we gepoogd uiteen te zetten onder welke condities (vitaal bodemleven) er sprake kan zijn van echte kringlooplandbouw zodat er daadwerkelijk volwaardig voedsel kan worden geproduceerd dat gezonde mensen en dieren oplevert.

Nog even ter inleiding: De gewassen die met echte kringlooplandbouw worden verbouwd, zijn veel voedzamer en hebben, doordat ze ook micronutriënten bevatten een veel hogere nutriëntendichtheid dan mogelijk is met kunstmest in de industriële landbouw. Van dit voedzame 'kringloopvoedsel' hebben mensen veel minder nodig om toch dezelfde verzadiging te kunnen ervaren. Echte kringlooplandbouw is dus niet alleen een goed instrument om obesitas te bestrijden, maar ook om gebreksziekten en chronische aandoeningen te voorkomen. Verder voordeel is dat maar een fractie nodig is van de landbouwgrond die de industriële landbouw nodig heeft. Dit vereist wel dat alle nutriënten die van kringlooplandbouwgrond worden geoogst, ook weer op de juiste manier worden teruggeplaatst in de kringloop, om snelle uitputting van de bodem te voorkomen. En zolang de lokale bodem nog niet op orde is, zullen wij onze micronutriënten moeten betrekken uit organische voedingsmiddelen van elders.

Voordracht Meino Smit
Meino Smit, die biologisch boert in Paterswolde, trapte af met een inleiding gebaseerd op zijn boek 'Naar een duurzame landbouw in 2040' dat uitkwam in 2022. Daarin geeft hij een geactualiseerde versie van zijn proefschrift uit 2018, over hetzelfde onderwerp. In het kort komt zijn betoog erop neer dat als wij op een duurzame wijze in 2050 de klimaatdoelen uit het Akkoord van Parijs van 2015 willen halen (en naar 95% reductie van de broeikasgasemissies willen gaan), de uitstoot van CO2 en methaan zodanig naar beneden moet dat het gebruik van fossiele brandstoffen noodgedwongen stopt en de alternatieve energievoorziening op een veel lager niveau moet worden voortgezet.

Overschakelen op een fossielvrije vorm van energie produceren, zou bij het huidige niveau van energieverbruik überhaupt niet mogelijk zijn. Voor een duurzame oplossing zal het niveau van de energieproductie dus drastisch naar beneden moeten en aangepast moeten worden aan de hoeveelheid grondstoffen die daadwerkelijk beschikbaar kunnen komen voor de opzet van alternatieve productiemiddelen.

Maar hoewel de kosten van fossiele energiewinning sinds 2015 alleen maar zijn gestegen, moe(s)ten de Staat der Nederlanden en de grootverbruikers van fossiele energie sindsdien toch regelmatig gemaand worden door partijen als Urgenda, om niet achterop te raken met het behalen van de gestelde klimaatdoelen en tijdig op alternatieve energiebronnen over te schakelen.

In één adem noemt Meino dan ook dat de landbouw aan de slag zal moeten met het reduceren van zijn eigen fossiele inputs, te meer daar de Nederlandse industriële landbouw helemaal niet zo efficiënt is als door grote partijen in de landbouw wel wordt voorgesteld. Daarom heeft Meino in zijn onderzoek (vrijwel) alle inputs en outputs omgerekend naar energie-eenheden. Dan blijkt hoe weinig de opbrengsten van de landbouw sinds 1950 zijn gestegen (met 12%) in vergelijking met de daarvoor benodigde energie, die met 600% is toegenomen. Zeshonderd procent! Alle reden dus,
  • voor een rigoreuze efficiencyslag in de landbouw,
  • voor schaalverkleining en biodiversiteitsvergroting en
  • voor voorrang aan het voeden van de eigen bevolking, boven export naar Verwegistan
Daarmee zijn we aangeland bij het onderwerp van de themadag: de transitie naar echte kringlooplandbouw, waarin een vitaal bodemleven en stabiele humus de hoordrol spelen.

Als we daarnaast in het oog houden dat de benodigde energie voortaan uit alternatieve bronnen moet komen, krijgen we al snel in beeld dat we, door over te gaan op echte kringlooplandbouw allerlei extern aangekochte inputs kunnen vermijden en een vorm van kringlooplandbouw creëren die op een aantal punten lijkt op de wijze waarop er in 1950 werd geboerd. Onder andere
  • dat we terug moeten naar kleinere bedrijven,
  • naar een veel hogere arbeidsinzet per hectare en
  • grotendeels directe inputs in Nederland.
Maar daar houdt de vergelijking dan ook wel ongeveer op, want de stand van de technologie is totaal anders dan in 1950 en we gaan ook niet meer terug naar paard en wagen.

Als we gaan uitzoeken welke nutriënten er nu, na consumptie door de mens wel of niet terugkeren op het land, zien we dat een belangrijk deel van de kringlopen in de landbouw niet meer gesloten is. De industriële landbouw lost dit op door behalve drijfmest uit de intensieve veehouderij ook kunstmest toe te passen, maar dat verzwakt de gewassen en creëert een vicieuze cirkel van bodemdegradatie en een toenemende vraag naar (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen. Met de productie daarvan zijn ook nog eens enorme hoeveelheden fossiele energie gemoeid die we kunnen besparen door te beginnen met met het sluiten van de gebroken kringlopen. Hoe we dat aanpakken? Door de grootste energieverslinders het eerst te elimineren. Kunstmestfabrieken bv.

Verder zullen we moeten stimuleren dat al die felbegeerde organische reststromen weer volledig worden teruggebracht op het land waar ze vandaan kwamen. Nu verdwijnt er nog bijna de helft in het riool, waar toenemende verontreiniging plaatsvindt, met andere reststromen zoals medicijnen en zware metalen. Die maken het zuiveringsslib uit de RWZI's van de waterschappen vrijwel ongeschikt voor terugkeer in de landbouw, en zeker in de kringlooplandbouw! Als gevolg daarvan gaat er nu zo'n 60% van het zuiveringsslib naar de verbrandingsoven, omdat het qua samenstelling kwalificeert als chemisch afval. Voor een deel geldt dit ook voor het digestaat uit biovergisters, als daar contaminatie met industriële afvalstromen is opgetreden.

Ervan uitgaande dat
  • de bovenstaande restrictie m.b.t. nieuwe sanitatie (humane mest) niet meer geldt,
  • alle organische stof die op het land wordt geproduceerd daar ook terugkomt om het bodemleven vitaal te kunnen houden,
  • er dus geen bio-brandstoffen worden gefabriceerd uit gewassen
  • de huidige bemestingsnormen uit de industriële landbouw nog even blijven gelden, en
  • zonder rekening te houden met een dynamische humusbuffer in de bodem,
heeft Meino voor 2 elementen/nutriënten (stikstof en fosfaat) de volgende procentuele bijdragen afgeleid uit het (gemiddelde) stikstof/fosfaatgehalte in een aantal potentieel beschikbare organische retourstromen, in een eenvoudig kringloopmodel:

Tabel 1 Organische retourstromen in eenvoudig kringloopmodel
organische retourstroomstikstoffosfaat
dierlijke mest43%44%
compost6%8%
baggerspecie10%13%
nieuwe sanitatie (humane mest)41%35%
digestaat biovergisters? %? %
Industriële netto bemesting per jaar140 kg/ha54 kg/ha

Bijkomend voordeel van directe, integrale inzameling van schoon organisch materiaal is niet alleen dat bestrijdingsmiddelen op de gewassen steeds meer tot het verleden kunnen gaan behoren, maar ook dat we
  • lekverliezen van kunstmest (-> eutrofiëring van onze watersystemen) kunnen voorkomen,
  • het continue verlies aan spoorelementen tot staan kunnen brengen,
  • het bodemleven kunnen vitaliseren (eventueel met wat hulpstoffen om het proces te starten) en
  • de organische koolstofkringloop kunnen sluiten, die nodig is om echte kringlooplandbouw te bedrijven.
Aan de productiekant levert dat meer rentabiliteit voor boerenbedrijven op en zeker wanneer de producten op de boerderij worden verwerkt en verkocht. Aan de consumptiekant levert echte (organische) kringlooplandbouw volwaardig voedsel en gezonde mensen op! Maar nu komen we op Anton's terrein! Alleen gaan we eerst nog even op excursie, naar de ronde stal met Jan Dirk van de Voort en Hubert Cremer.



Voordracht Anton Nigten
Vervolgens nam Anton Nigten: onderzoeker bemesting, voeding en gezondheid het stokje over om ons mee te nemen naar de wereld van de voedselanalyse. Hij legde de vinger op een opmerkelijk verschil in aandacht: voor analyses van diervoeder in vergelijking met humaan voedsel. Hij bracht ons in herinnering dat de methode waarmee de concentratie van nutriënten wordt gemeten van groot belang is voor de uitkomst van de analyse. Bij de traditionele, destructieve analysemethode wordt niet gekeken naar de organische verbindingen die feitelijk aanwezig zijn in plant of voedsel, maar wordt het monster eerst gegloeid, waarna de as (de overblijvende minerale delen) geheel wordt opgelost in een sterk, anorganisch zuur.

De gevonden gehaltes van de verschillende elementen/zout-ionen in oplossing zeggen dan weinig meer over de oorspronkelijke (organische) verbinding waarin zo'n element feitelijk in het monster heeft gezeten. Voor bodemanalyses geldt ongeveer hetzelfde. Daarom is het belangrijk dat er niet alleen voor elk stadium in de verwerking van plant tot voedsel een analyse beschikbaar is, maar ook van een monster van de bodem waarop de plant is gegroeid. Op die manier kan weliswaar een indruk worden verkregen van de mate waarin bepaalde elementen verdwijnen of juist aanwezig blijven in het traject van bodem tot voedsel op ons bord, maar over de opneembaarheid zegt het niet zoveel!

In zijn presentatie heeft Anton toch van deze destructieve analysemethode gebruik gemaakt, simpelweg omdat de meeste plant- en voedselanalyses op deze wijze werden/zijn verkregen en het dus eigenlijk de enige manier is waarop de meeste analyses onderling vergeleken kunnen worden. Het blijkt dat de kwaliteit van het voer voor melkkoeien in Nederland en elders veel intensiever en veel uitgebreider wordt gemeten dan de kwaliteit van het humane voedsel. Uit Anton's overzichten blijkt verder dat de verhoudingen (ratio's) die in het voedsel tussen bepaalde elementen worden gevonden soms wel heel ver afwijken van wat optimaal zou zijn.

Tabel 2 Kwaliteit van koeienvoer (gras) versus humaan voedsel (groenten)
Ratio’s (verhoudingen tussen elementen)OptimaGrasgegevens (#=1853) van melkveebedrijven in 2014 (DSM)Alle 71 groenten uit de RIVM tabel. NEVO online, 2020
Kalium/Natrium (K/Na)2–5 (max 7) /114,716,8
Kalium/Magnesium (K/Mg)2–5 (max 7) /114,716,6
Calcium/Magnesium (Ca/Mg)1–2 /12,33,2
Calcium/Phosphor (Ca/P)1–2 /11,31,3
Mg/(K+Na+Ca+P)0.15–0.25; min. 0.100,050,043
K/(Ca+Mg) in mEq< 2–2.2 /11,91,73
Nitraat (NO3)< 2.1–3.5 gram NO3/kg droge stof2,4?Gem. 1,1 gr NO3/kg ds (v.d Schee)
Zwavel (S)< 2 á 3 gr/kg ds3,5?
NPN /N totaal (NPN = Niet eiwitgebonden N)max 33% van N totaal46 %?
Ammonium N (N in NH4) + Nitraat N (N in NO3)Max 140 gram/dag216 gram/dag?
Kalium (K)max 20 (USA)35,241

Anton bespreekt in zijn voordracht ook 2 benaderingen (paradigma's) waarmee je kunt kijken naar de wijze waarop planten aan hun voeding komen:
  1. Zijn ze het onderwerp van het plantvoedingsproces (humusparadigma), of
  2. zijn ze het lijdend voorwerp (zoutenparadigma) van het plantvoedingsproces?
Ad 1.
Onder het humusparadigma kunnen planten zelf bepalen welke nutriënten ze opnemen uit de bodem en blijken ze (misschien wel uitsluitend) te gaan voor organische verbindingen, daarbij geholpen door het bodemleven.
Onder het humusparadigma zouden de organische retourstromen ook niet meer zo scherp gedefinieerd kunnen worden als in Tabel 1, omdat die stromen nu worden gemoduleerd/gecontroleerd door een vitaal bodemleven. Dat buffert de organische verbindingen deels in het klei/humuscomplex, terwijl het overige deel direct wordt doorgegeven aan de plant (in ruil voor suikers).
Ad 2.
onder het zoutenparadigma worden planten gedwongen alle kunstmestzouten op te nemen die in het bodemvocht zijn opgelost. Het kost planten een enorme inspanning (energie) om bepaalde zouten zoals nitraten weer te verwijderen uit de sapstroom. Dit verzwakt de plant zodanig dat hij kwetsbaar wordt voor ziekten en plagen en het nodigt uit tot meer pesticidengebruik, naarmate de humusvoorraad verder slinkt door het onttrekken van de nog aanwezige spoorelementen.

Parallel aan de discussie over bovenstaande paradigma's werd er ook gedurende tientallen jaren gedebatteerd over de vraag waar planten nu hun stikstof vandaan halen. Anton geeft hiervan in zijn presentatie een uitgebreid overzicht. Al in 1910 waren de laatste inzichten van Jamieson dat alle planten stikstof zowel uit de bodem als uit de lucht kunnen halen m.b.v. de heterocysten in cyanobacteriën. Die zijn in elke plantencel aanwezig. Schanderl concludeerde dat alle planten voor hun assimilatie van luchtstikstof een eerste stikstofbemesting uit de bodem nodig hebben. En zij moeten over de juiste symbionten beschikken: de microben waarmee een specifieke plant samenwerkt om aan organische nutriënten te komen.

Voor stikstofbinding uit de lucht vonden Haber en Bosch in 1909 in de aanloop naar de 1e Wereldoorlog ook een industrieel proces uit waarmee je via ammoniak nitraat kon maken, zodat Duitsland onafhankelijk werd van de import van chilisalpeter uit Chili en in korte tijd een explosieven- en munitie-industrie op poten zette. Na de oorlog werd deze industrietak omgevormd tot kunstmestindustrie. Dat was ook het moment dat deze industrie met veel geld een lobby in de benen hielp die de bestaande kennis over de directe opname van organische stoffen door planten zoveel mogelijk onder het vloerkleed werkte. Daarmee begon de opmars van het zoutenparadigma, waarbij de kunstmestindustrie garen kon spinnen. In tegenstelling tot de opname van stikstofzouten in anorganische vorm (waar het zoutenparadigma op focust) zijn er tot nu toe vijf manieren ontdekt waarop planten hun stikstof in organische vorm verzamelen m.b.v. bacteriën en schimmels (het humusparadigma).

Tussen 1950 en 1980 vindt er weinig onderzoek over stikstofbinding (assimilatie) plaats. Daarna worden er steeds meer planten ontdekt die met hun symbionten stikstof uit de lucht of uit de bodem kunnen halen. Met name grassen kunnen dat 'regelen' met verschillende inwonende of uitwonende bacteriën. Christine Jones vat het in 2017 als volgt samen:

"Alle groene planten vormen associaties met stikstofbindende bacteriën. Dit verschijnsel beperkt zich niet tot Vlinderbloemigen (...) In goed functionerende, vitale bodems regelen microben 85-90% van de voedselopname door planten, en stikstof is daarop geen uitzondering. Het eerst gevormde product van biologische stikstofbinding, ammoniak, wordt binnen enkele milliseconden omgevormd tot het niet-giftige ammonium (in formule: NH3 + H+ -> NH4+)".

Ten slotte gaat Anton in op het verband tussen voedselsamenstelling en de gezondheid van gewas, dier en mens. Gezondheid begint bij een actief en gezond bodemleven, dat zorgt voor evenwichtige verhoudingen tussen de nutriënten in het gewas. Kunstmestgebruik brengt planten uit hun evenwicht. Hij noemt met name de disbalans tussen kalium versus natrium, calcium versus fosfaat en zeker nitraat: hoge zoutconcentraties van NPK zijn niet bepaald bevorderlijk voor een uitbundig bodemleven! Anton eindigt met enkele conclusies die er niet om liegen:

Tabel 3 Conclusies presentatie Anton Nigten: Vitale planten vereisen een vitale bodem
1. Het voer van onze koeien wordt veel grondiger gemeten dan het voedsel voor mensen
2. Maar met de normen voor het koeienvoer wordt de hand gelicht. Kalium is veel te hoog, evenals het ruw eiwitgehalte. De analyse van NPN (Non-Protein Nitrogen, = Niet-eiwitgebonden stikstof) is niet compleet en wordt niet meegeteld. Ook aan de kwaliteit van zwavel en fosfor wordt geen aandacht besteed (organisch versus anorganisch). Magnesium en natrium zijn te laag;
3. De Nederlandse aardappelen – gangbaar en biologisch – en de Nederlandse groenten zijn niet in balans. Ze bevatten veel te veel kalium, en te weinig natrium en magnesium. En schadelijke verbindingen zoals NPN en NPS (= Non-Protein Sulfur) worden überhaupt niet gemeten. Dat geldt ook voor de residuen van landbouwgif;
4. De groenten in Zuid West Nigeria zijn veel beter in balans.
5. Zeemineralen en gesteentemeel kunnen het bodemleven helpen om de balans tussen beschikbaar komende elementen in de bodem te herstellen. Evenals wormencompost. En aarde in de mest.
6. Fosfaten zijn niet alleen een probleem voor de natuur (algengroei), maar ook voor de mensen. We krijgen veel te veel fosfaten binnen. En dat veroorzaakt zeer grote gezondheidsschade.
7. Net als bij stikstof moet ook voor fosfaat gemeten worden in welke vorm we het binnen krijgen en hoeveel we ervan binnen krijgen. Idem voor zwavel.

En last but not least: vergeet niet de presentatie en de bijlagen te bestuderen!

Voordracht Jelmer Buijs
De derde spreker, Jelmer Buijs, consultant en onderzoeker bestrijdingsmiddelengebruik maakte nadrukkelijk onderscheid tussen gewenste en ongewenste kringlopen. Onder de ongewenste kringlopen zitten veel kringlopen van stoffen die door betrokken concerns werden gepresenteerd als economisch aantrekkelijke 'innovaties', maar waarvan de uitwerking op het milieu nog totaal onbekend was bij hun introductie. Eén van de gevolgen daarvan is geweest dat de erfenis van (bestrijdings)middelen die zich in de bodem bevindt veel meer stoffen omvat die ook veel persistenter zijn (moeilijker te verwijderen) dan de meesten onder ons denken. En het geldt dus ook voor veel biologische bedrijven, waar sommige stoffen zelfs na tientallen jaren (DDT!) nog steeds in de bodem worden aangetoond!

Een ander aspect van 'innovatieve stoffen' is dat niemand in de regel verantwoordelijk wil zijn voor de maatschappelijke gevolgen van nieuw geïntroduceerde stoffen die achteraf schadelijk blijken, en zeker niet degenen die commerciële belangen hebben. Vaak werken 'innovaties' daardoor als ongeleide projectielen, omdat er geen holistische visie op landbouw bestaat waarin maatschappelijke belangen worden meegewogen.

Voorbeelden van ongewenste, door mensen geïntroduceerde kringlopen staan in Tabel 4:

Tabel 4 Ongewenste kringlopen en hun schadelijkheid voor de mens
Ongewenste kringloopSchadelijkheid
1. Asbest dakbedekking op agrarische gebouwenLongkanker, buikvlieskanker
2. Plastic verpakking van kuilvoer, microplastics van autobandenEffecten van macro, micro en nanoplastics zijn nog onbekend
3. Diergeneesmiddelen (anti-parasitaire middelen, antibiotica etc)Diverse bijwerkingen, vernietiging entomofauna (Butox pour-on, Madendood), vermindering grasgroei (ivermectines oa), vorming resistente ziekteverwekkers door permanente blootstelling
4. Lood van dakbedekking (loodflappen)Aantasting hormonaal- en immuunsysteem kinderen, verminderd leervermogen, vertraging groei, leukemie, etc
5. Emissies van vuilverbrandingsinstallatiesCocktails in rookgassen kunnen heel veel ziekten oproepen
6. Bestrijdingsmiddelen (gebruikt door industrie, huishoudens en landbouw)Bestrijdingsmiddelen kunnen een wijde range van ziekten initiëren, stimuleren, oproepen of veroorzaken zoals de ziekte van Parkinson, hartritmestoornissen

Daar bovenop komt nog een stikstofprobleem: levende organismen kunnen zich met moeite handhaven in de mest van vooral de intensieve veebedrijven en dat betekent meer stikstofverliezen in de stal en tijdens het uitrijden, omdat
  • de mest slechter afbreekt en dus langer blijft liggen,
  • de capaciteit om eiwit te vormen sterk vermindert en
  • de hoeveelheid niet-eiwitgebonden stikstof (NPN) dus sterk toeneemt.
De NPN is veelal aanwezig in de vorm van zouten, gedraagt zich dus als kunstmest en is goed oplosbaar in het bodemvocht. NPN is daardoor heel gevoelig voor uitspoelen naar het grondwater (als nitraat, NO3), of voor vervliegen naar de atmosfeer (als ammoniak, NH3).

Welke MRL-normen bestaan er voor de maximum concentraties van toegelaten stoffen?
  1. Voor humane voeding bestaan er normen voor de toegelaten maximum concentraties van bestrijdingsmiddelen (MRL = Maximum Residual Level of Maximale Residu Limiet). In de EU variëren ze van 10 microgram per kg product tot wel 400 milligram per kg. Ze gelden per werkzame stof van het bestrijdingsmiddel en per product, het maakt niet uit hoeveel verschillende bestrijdingsmiddelen er in het product zitten. De normen zijn vaak hoger voor die gewassen waarop een middel daadwerkelijk wordt toegepast (glyfosaat op boekweit 0,1 mg, op tarwe 10 mg en op gerst 20 mg per kg). Schadelijke effecten op proefdieren worden alleen onderzocht per actieve stof, in afwezigheid van alle hulpstoffen die normaal aan een middel worden toegevoegd om de beoogde werking te bereiken.
  2. Voor de veehouderij bestaan normen, maar dan alleen voor onbewerkte producten, zoals melk, eieren en vlees.
  3. Voor veevoer zijn er geen MRL-normen, behalve dan voor grondstoffen die ook voor menselijke voeding worden gebruikt (zoals gerst of soya bv.).
  4. Voor bodem zijn er geen regels, behalve voor enkele stoffen, zoals lindaan, DDT, fipronil en PFAS
  5. Voor water bestaan heel veel normen (o.a. JG-MKN en MAC-MKN, drinkwaternorm en de toelatingsnorm van Ctgb)
  6. Voor lucht zijn geen regels, alleen verwachtingen op grond van modelberekeningen van Ctgb (Commissie ter beoordeling van genees- en bestrijdingsmiddelen)
  7. Voor belasting van natuurgebieden zijn ook geen regels. Voor stikstofdepositie worden verwachtingen gebruikt, volgens modellen zoals onder 6.

Foute uitgangspunten voor vaststelling van MRL-normen (Maximum Residual Levels)
Een aantal zaken klopt niet aan de uitgangspunten die zijn gebruikt voor de vaststelling van normen voor de MRL (Maximum Residual Level):
  • Er wordt vanuit gegaan dat er voor elke stof een veilig blootstellingsniveau bestaat (ADI - acceptabele dagelijkse inname),
  • maar de aanwezigheid van cocktails wordt genegeerd, dus het totale effect blijft onbesproken.
  • als uitgangspunt voor het maximum gehalte van een stof in groente, fruit en granen geldt het niveau van de toepassing op het veld (gram per hectare van de stof) en niet het effect op de gezondheid of de ecologie
  • Deze normen worden vastgesteld op basis van testen door de producenten van de middelen, dus de slager keurt zijn eigen vlees
  • Deze testen worden uitgevoerd met de werkzame stof als enige variabele. Geen hulpstoffen erbij.
  • MRL-normen worden ook beïnvloed door lobbying van producenten

Dosis-effectrelaties
  • Alle testen die worden gedaan, voorafgaand aan toelating van stoffen, zijn voornamelijk gericht op acute effecten op gezondheid en overleving van proefdieren, zoals muizen, ratten, insecten en mijten. De LD50 is de concentratie waarbij 50% van de proefdieren dood gaat.
  • Het merendeel van de gedetailleerde testresultaten is alleen toegankelijk voor medewerkers van de Ctgb en voor de producent
  • Voor zover aanwezig zijn samenvattingen (eindpunten) van de testresultaten van goedgekeurde bestrijdingsmiddelen publiek toegankelijk (database Ctgb toelatingen)
  • Er zijn zeer veel publicaties die verbanden hebben aangetoond van zeer veel bestrijdingsmiddelen op ontwikkeling van kinderen, zenuwcellen ontwikkeling, voorkomen van ADHD, Parkinson etc.
  • Op dit moment doet een onderzoeksgroep van Bianca Brundel (AMC) onderzoek naar hartritmestoornissen bij mensen. Proefdieren (fruitvliegjes) laten dit verschijnsel al zien vanaf 10 microgram a.i. per liter, maar in de meeste voedingsmiddelen mogen wettelijk 10-100 maal hogere concentraties voorkomen (volgens de MRL normen)

Accumulatie van stoffen versus accumulerende effecten
  1. Stoffen kunnen zelf ophopen in levende organismen (DDT, fipronil, permethrin, endosulfan, kwik), maar ook in de bodem (PFAS) of in het (grond)water
  2. Zelfs als stoffen zich niet ophopen, kan de schade die ze veroorzaken zich wel stapelen (al of niet bij voortgaande blootstelling). Te noemen zijn hormoonverstorende stoffen, genotoxische stoffen, zenuw-gifstoffen en andere stoffen met onomkeerbare receptorbinding
  3. Een grote groep van stoffen blijft tientallen jaren in het milieu; is slecht of niet afbreekbaar- zoals AMPA, het bijengif imidacloprid, propoxur, prosulfocarb en heel veel andere middelen. De blootstelling is dus permanent

Cocktails
  • Pas zeer recent begint de gedachte door te dringen dat separaat beoordelen van allerlei middelen niet realistisch is als ze in werkelijkheid in cocktails voorkomen. In 90% van de monsters genomen van vegetatie, bodem, mest en lucht vinden we unieke combinaties van bestrijdingsmiddelen. Dat maakt een toxicologische interpretatie zeer gecompliceerd.
  • In testen van het AMC gaven alle afzonderlijke testen van bestrijdingsmiddelen op Drosophila fruitvliegjes al een toename van hartritmestoornissen te zien bij een concentratie van 10 microgram per liter. Het AMC gaat nu ook het effect van cocktails onderzoeken

Conclusies en aanbevelingen
  1. Liever geen mengvoer gebruiken (ook niet biologisch), tenzij je het zelf hebt gemengd van een bekende producent of als de samenstelling is gemeten
  2. Geen gangbaar stro gebruiken
  3. Geen anti-parasitaire middelen gebruiken voor vee
  4. Geen synthetische ontsmettingsmiddelen voor stallen en gebouwen gebruiken
  5. Geen slootwater gebruiken voor vee
  6. Geen bagger gebruiken uit sloten

  7. Zelf voer ingrediënten kopen van de u bekende producenten
  8. Biologisch stro gebruiken of ander strooisel, bij voorkeur zelf laten analyseren
  9. Niet chemische anti-parasitaire maatregelen nemen (zie Hubert)
  10. Niet synthetische ontsmettingsmiddelen gebruiken (soda, stoom..)
  11. Kraanwater gebruiken voor vee (met max 0,1 microgram bestrijdingsmiddel per liter per stof en totaal max 0,5 microgram)
  12. Bagger ten gevolge van schouw afvoeren
  13. Grote voorzichtigheid betrachten met houtverduurzamingsmiddelen
Filter Welkom Vereniging Missie en doelstellingen Lidmaatschap Bestuur Privacyverklaring Wie Wat Waar Agenda en Nieuws Archief 2022 Archief 2021 Archief 2020 Archief 2019 Archief 2018 Archief 2017 Archief 2016 Archief 2015 Archief 2014 Archief 2013 Archief 2012 Onderwerpen Gezonde bodems Bemesting? Bodemleven Glyfosaat Vitaal water Vitale gewassen, voeding en gezondheid Kringlopen in land-en tuinbouw Boer-Burger en Ecoregio's Dierenwelzijn Nieuwe wetenschap en spiritualiteit Koolstofproblematiek Energievoorziening Biodiversiteit Gentechgewassen HR-gewassen Bt-gewassen Activiteiten Themadagen Eerdere themadagen Workshops en Symposia VoedselAnders-conferentie 2014 Symposium met Cordaid "Welke kennis delen wij?" 28 mei 2013 Lezingen Don Huber oktober 2011 Conferentie Acres USA december 2010 Ledenvergaderingen Nieuwsbulletin Publicaties NVLV Heel de Wereld Levenskracht uit de oceaan Bodemgezondheid QA Jaarboek 2012 Projecten Gezondheid Fast food Een glijdende schaal Detox Uitdagingen Sponsoring